foto1
foto1
foto1
foto1
foto1
Cetawikia.nl is jouw bron van informatie over cetacea. Hier kun je alle informatie vinden over deze fascinerende dieren. waaronder honderden pagina's, foto's, blogs en nieuwsberichten/ Wanneer men spreekt over cetacea gaat het over walvissen, dolfijnen en bruinvissen, de zogeheten 'walvisachtigen'. Dit zijn zeezoogdieren die zich volledig hebben aangepast aan een leven in het water. Lees meer

.

.

Wat zijn zeezoogdieren? 

Zeezoogdieren zijn een aantal soorten zoogdieren onderverdeeld in vijf groepen die zich gedeeltelijk of volledig hebben aangepast aan het leven in het water. Ondanks de naam gaat het voornamelijk, maar niet exclusief  over het leven in zeeën en zout water. Anders dan de meeste diergroepen delen cetacea niet allemaal dezelfde voorouders of afstamming, maar zijn ze te verdelen in de volgende ordes: Cetacea (walvisachtigen), Pinnipedia (vinpotigen) en Sirenia (zeekoeien). Onder de zeezoogdieren worden ook zeeotters en ijsberen gerekend, zij vallen echter onder een eigen orde die niet exclusief uit zeezoogdieren bestaat.

Cetacea

De meest talrijke orde en het hoofdonderwerp van deze website zijn de 'Cetacea' of Walvisachtigen (Engels: cetaceans). Hieronder vallen zowel walvissen als dolfijnen en bruinvissen. Deze groep omvat zo'n  82 soorten zeezoogdieren die allemaal volledig in het water leven. Ook zijn zij van alle zeezoogdieren het meest aangepast aan het onderwaterleven. De meest bekende is de tuimelaar, vaak gevolgd door de orka. Alle soorten cetacea zijn onderverdeeld in twee groepen. Namelijk de ordes "Mysticeti", of baleinwalvissen en de "Odontoceti", of tandwalvissen.

 

Baleinwalvissen zijn het grootste en voeden zich doormiddel van hoorn-achtige platen waarmee zij voedsel zoals plankton of krill uit het water zeven, de tandwalvissen beschikken over ivoren tanden waarmee zij prooien vangen en communiceren. Cetacea zijn er in alle vormen, kleuren en maten. Over het algemeen zijn het vrij grote dieren. Veel cetacea kunnen zo'n tien tot twintig meter lang worden. Er bestaan echter ook kleine cetacea van maar anderhalve meter lang zoals de vaquita bruinvis of de Hectordolfijn.

                                                                            Afbeelding: Een walvis, een dolfijn en een bruinvis.   

Het allergrootste dier op aarde en daarbij ook het grootste dier wat ooit geleefd heeft behoort ook tot de cetacea. Dit is de blauwe vinvis. De grootste blauwe vinvis ooit gedocumenteerd was maarliefst 33,85 meter lang! 

Fysiologie

Alle cetacea zijn ongeveer gelijk van lichaamsbouw. Ze hebben een horizontaal lang lichaam met twee vinnen aan de voorkant net achter de kop (de pectorale vinnen), een vin midden op de rug (de dorsale vin, bij sommige soorten ontbreekt deze of zit er een ophoping van spieren en/of vet voor in de plaats) en een staartvin waarmee ze zich peddelend op en neer voortbewegen. Dit in tegenstelling tot vissen die de staartvin zijwaarts bewegen. Op de kop bevinden zich één of twee gaten waarmee het dier ademt. Het voorhoofd is vaak duidelijk zichtbaar en enigszins tot overdreven bol. Hierin bevindt zich het orgaan waarmee echolocatie mogelijk is. Sommige soorten hebben een duidelijke uitstekende snuit. Bij walvisachtigen sluit de luchtpijp alleen aan op het blaasgat. Zij kunnen dus niet door de mond ademen. Cetacea zijn gestroomlijnd en vaak torpedo-vormig om zich makkelijk te bewegen door het water. Qua kleur zijn de meeste cetacea grijs, soms ook zwart en/of wit met  over het algemeen een donkergekleurde rug en een  lichtgekleurde buikzijde. Dit ter camouflage vanwege de verschillende lichtinvallen wanneer ze van boven of onderaf worden gezien. De grijze kleur kan een gelige, bruine of blauwe gloed hebben. Cetacea met weinig pigment zoals rivierdolfijnen kleuren vaak roze. Afhangend van de onderorde hebben de dieren een groot aantal scherpe tanden waarmee ze prooi vangen, of  een groot aantal hoornachtige platen die als zeef worden gebruikt om de prooi te vangen. Tandwalvissen kauwen niet, de tanden dienen slechts om de prooi te vangen en geheel door te slikken. Wel scheuren ze stukken van een prooi af als deze te groot is om in één keer door te slikken. Hoewel over het algemeen walvissen groot zijn, dolfijnen middelgroot en bruinvissen kleine dieren zijn is het afgaan op grootte geen betrouwbare methode om te identificeren of het om een dolfijn, walvis of bruinvis gaat. Er zijn namelijk ook hele grote dolfijnsoorten en hele kleine walvissoorten. De meest betrouwbare methode is identificatie doormiddel van het type tanden. Walvissen hebben op de potvissoorten na altijd baleinen, dolfijnen hebben spitse tanden en bruinvissen hebben spatelvormige tanden.

 

Echolocatie

Cetacea beschikken over een uniek zintuig dat erg lijkt op dat van vleermuizen of de sonar van een duikboot. Zij zenden signalen uit via de 'meloen', een orgaan in het voorhoofd. Deze signalen verplaatsen zich hierna razendsnel door het water en kaatsen terug wanneer ze een object of dier raken. Deze teruggekaatste signalen worden vervolgens in de onderkaak weer opgevangen en doorgestuurd naar het oor. Hierna worden de signalen vertaald naar informatie. Hierdoor 'zien' de dieren als het ware doormiddel van geluid. Met echolocatie kunnen cetacea onder andere de grootte en het materiaal van een object onderscheiden. Ook kunnen ze levende dieren onderscheiden van objecten en de omgeving.  Geluid verplaatst zich heel efficiënt door water. Hierdoor is deze techniek heel erg nuttig voor walvisachtigen. Zij gebruiken dit onder andere voor de jacht en oriëntatie in donkere wateren. Echolocatie is zo effectief dat bepaalde soorten rivierdolfijnen zelfs meer op echolocatie navigeren dan op zicht. Sommige rivierdolfijnsoorten zijn zelfs zo goed als blind.                                                                                         

                                                                Evolutie

De directe afstamming van de walvisachtigen begon op het land! In het Eoceen, zo'n 50 miljoen jaar geleden. Walvissen, dolfijnen en bruinvissen zouden afstammen  van vroege evenhoevigen. Het grootste bewijs hiervoor zijn de dubbele kenmerken van het sprongbeen die aanwezig zijn in vroege cetacea. Deze eigenschap komt namelijk alleen bij evenhoevigen voor. Veel wetenschappers beweren dat nijlpaarden het dichtst verwant zijn aan walvissen en dat de evolutie van nijlpaarden erg overeenkomt met het proces dat walvisachtigen hebben doorgemaakt tijdens hun evolutie van land naar water. Hier zijn echter geen fossiele  bewijzen voor. Een van de vroegste voorouders van de walvisachtigen is 'Pakicetus' die ondanks lichamelijke kenmerken van een hoefdier een carnivoor was (iets wat vaker voorkwam bij primitieve dieren).  Andere bekende voorouders zijn de 'Pakicetus', de 'Ambulocetus' en de  'Basilosaurus'

Tijdens de evolutie van land naar water traden enkele zeer ingrijpende veranderingen op. Zo is de neus verplaats naar de bovenkant van de kop, hebben zij bijna al het lichaamshaar verloren en zijn de voorste ledematen veranderd in vinnen. De achterste ledematen zijn zelfs helemaal verdwenen. Toch zijn er nog bewijzen die te traceren zijn naar het leven op het land; In de voorste vinnen van Cetacea bevinden zich dezelfde botten als een voorpoot of zelfs menselijke arm/hand. Compleet met opperarmbeen, ellepijp, spaakbeen, handwortelbeentjes en vingerkootjes. Ook zijn er nog enkele zwevende botten te vinden laag onder de ruggengraat; namelijk overblijfselen het bekkenbeen en het dijbeen. Verder ontwikkelen embryo's van alle Cetacea kleine uitstulpingen op de plek waar de achterbenen ooit gezeten hebben. Deze verdwijnen weer voor het dier wordt geboren. Bij geboorte zijn er wel nog enkele snorharen aanwezig op de snuit/bovenkaak. Deze dienen geen functie, daar ze er na een hele korte tijd weer uitvallen. De plekjes waar deze haren gezeten hebben blijven wel altijd zichtbaar. Er wordt geloofd dat deze snorharen rudimentair zijn en dus een overblijfsel zijn uit tijden dat de dieren nog op het land leefden. 

 

Intelligentie 

Cetacea en dan met name tandwalvissen beschikken over een zeer hoge intelligentie. Er is documentatie dat cetacea kunnen leren van anderen, leren aan anderen,  samenwerken, plannen en rouwen. Ook zouden orka's een vorm van cultuur kennen door aangeleerd gedrag dat alleen bij specifieke populaties voorkomt. Het meeste is terug te zien in de geavanceerde jachttechnieken die verschillende soorten wilde cetacea gebruiken. Ook maken wilde dolfijnen gebruik van gereedschappen. Met de komst van zeezoogdieren in gevangenschap zijn er meer mogelijkheden gekomen de dieren op intelligentie te onderzoeken. Hierdoor is onder andere bewezen dat dolfijnen zichzelf herkennen in de spiegel. Deze zogeheten 'spiegeltest' wordt uitgevoerd om te testen of dieren zelfbewust zijn. Ook kunnen dolfijnen in gevangenschap een groot aantal verschillende handsignalen leren en de daaraan gekoppelde gedraging onthouden. Onderzoek toont ook aan dat dolfijnen het concept van taal begrijpen en beheersen. Zo blijken ze elkaar namen te geven doormiddel van unieke fluittoontjes en worden de 'namen' van afwezige dolfijnen vastgesteld tijdens het communiceren van twee andere dieren. In gevangenschap kan een dolfijn simpele taken uitvoeren wanneer gevraagd in zinswijze zoals 'breng de bal naar de hoepel'. De dieren begrijpen hierbij ook het belang van de volgorde van de woorden. Ze weten dus dat 'breng de bal naar de hoepel' een andere opdracht is dan 'breng de hoepel naar de bal'.

 

Geschiedenis

                In de oudheid

 Al sinds dat de mens walvisachtigen benoemd is hij er door gefascineerd. Walvissen en dolfijnen werden al beschreven door Homer, Aristotle, Pliny en Ambrose. Wat opvallend is, is dat in al deze beschrijvingen al voorkomt hoe walvisachtigen levende jongen baren en hun jongen zogen. Toch werden deze dieren tot vrij laat in de geschiedenis nog benoemd als vissen. Ook in de Bijbel komen walvissen voor. Dolfijnen werden in het oude Griekenland als heilig gezien en benoemd als 'koning van de zeedieren'. Ze werden afgebeeld op muurschilderingen, als stenen beelden of op munten. De hoge intelligentie en speelsheid van de dolfijn werd destijds ook al opgemerkt. Er zijn vele verhalen over dolfijnen die drenkelingen zouden hebben gered van de dood. Dit heeft geleid tot een legendarische status van deze dieren. Ze werden zelfs uitgebeeld in het gezelschap van goden zoals Poseidon, Apollo en Aphrodite. Het wordt nu nog regelmatig  als algemene kennis gezien dat wilde dolfijnen mensen te hulp zouden schieten.                                                    

                                                                                   Afbeelding: Knossos dolfijnen c.a. 1800-1400 v. Chr  

 

                                                                             Zeemonsters

Ontmoetingen tussen mensen en cetacea kwamen pas regelmatig voor toen de scheepvaart werd uitgevonden en op grotere schaal mogelijk werd. Voor deze tijd kwamen mensen bijna alleen maar in aanraking met deze dieren via strandingen en aangespoelde kadavers. Er zijn wel al veel oudere gevallen van contact met ceteacea, maar dit valt vooral onder primitieve bevolkingen die er al heel vroeg jacht op maakten. Onder andere met het gebruik van kano's of boomstamboten. Hieronder vallen een aantal inheemse Amerikaanse en Canadese stammen, maar bijvoorbeeld ook primitieve mensen in de oertijd in het gebied wat nu Nederland is. Walvissen werden op zee regelmatig aangezien voor zeemonsters. De oud Griekse en Romeinse benamingen voor de walvis, "Ketos" en "Cetus" betekenen ruig vertaald dan ook 'zeemonster' of 'monstervis'. Omdat een walvis nooit volledig bovenkomt wanneer je deze op zee aantreft was er veel wat aan de verbeelding kon worden overgelaten. Hierdoor bleef de zeemonster mythe nog erg lang in stand. Er zijn dan ook talloze oude tekeningen te vinden van walvissen met allerlei monsterachtige attributen. Pas toen de commerciële walvisvaart op gang kwam is deze visie uiteindelijk verdwenen. 

 

                                                           Walvisvaart

In de 17e eeuw begon de grootschalige commerciële walvisvaart. Een walvis bezit zoals de meeste zeezoogdieren over een groot percentage aan vet in het lichaam. Door dit vet uit te koken kan er olie worden gewonnen, de zogeheten 'walvistraan'. Het winnen en verkrijgen van de walvistraan was de grootste reden voor de commerciële jacht op walvissen.

Er werd echter ook gebruik gemaakt van het vlees van de dieren, de ivoren tanden en de baleinplaten van baleinwalvissen. Het formaat van de meeste walvissen maakte hen perfect om bejaagd te worden omdat er zeer veel grondstoffen konden worden gewonnen uit één vangst. Walvissen werden gebruikt voor een groot aantal doeleinden waaronder lampolie, zeep, margarine, schoenpoets, smeerolie, verzorgingsproducten, korsetten, kunst, paraplu's/parasols en nog vele, vele andere producten.

Nederland speelde een zeer belangrijke rol in de walvisvaart. Zij wordt gezien als één van de grootste al dan niet het grootste aandeel in de vroege commerciële walvisvaart. Voor de walvissenpopulatie was deze jacht rampzalig. Bij Spitsbergen werden zulke grote hoeveelheden Groenlandse walvissen verwerkt dat de Noord-Atlantische populatie bijna was uitgeroeid. Hierdoor moest men uitwijken naar andere gebieden en andere soorten. Door de walvisvaart zijn meerdere soorten sterk in aantal terug gebracht. Zelfs op zo'n grote schaal dat sommige soorten nog steeds bedreigd zijn. Aangezien walvissen zich langzaam voortplanten hebben deze populaties zich nog niet kunnen herstellen. Het Nederlandse aandeel in de walvisvaart stopte in 1873. Net toen de 'Pelagische walvisvaart' een opmars maakte. Dit was een nieuwe methode waarbij de walvis zowel gevangen als verwerkt kon worden op zee. Vooral IJsland, Azië en het Verenigd Koninkrijk namen hier actief deel in. Nederland heeft later geprobeerd hier nog een aandeel in te krijgen, maar de walvisvaart was al snel dusdanig oninteressant geworden dat de schepen verkocht zijn aan Japan. 

Pas in 1946 werd de Internationale Walvisvaartcommissie (IWC) opgericht. Dit voortkomend uit een verdrag gestart in 1931 om de walvisvangst te reguleren. Hierin spraken landen af hoeveel walvissen er per jaar gevangen mochten worden. Dit betekende dat er na een periode niet meer op de blauwe vinvis mocht worden gejaagd omdat de soort te zeldzaam werd. Men is toen over gegaan op de gewone vinvis. Toen deze ook sterk in aantallen afnam werd er gejaagd op de voorheen oninteressante Noorse vinvis. Omdat alle bejaagde soorten zo sterk in aantallen waren afgenomen besloot het IWC in 1986 een verbod op te stellen op de commerciële walvisvaart. Inmiddels namen de meeste Europese landen hier al geen deel meer aan. Zowel vanwege de dalende interesse en dalende prijzen van walvisproducten als de betere (en goedkopere) alternatieven zoals plastic. Noorwegen en IJsland negeren dit verbod en jagen nog openlijk commercieel op walvissen. Japan doet dit ook, onder het mom van 'wetenschappelijk onderzoek'. Deze vorm van jagen is erkend door het IWC. Er is echter openlijke twijfel over de ware doeleinden van de Japanse walvisvaart en er wordt gedacht dat het wetenschappelijke onderzoek slechts een dekmantel is.